Het pad van opmerkzaamheid 'Monniken,' zei de Boeddha, 'je kunt levende wezens op een prachtige manier helpen zuiverheid te bereiken, smart en verdriet op slag te overwinnen, een eind te maken aan angst en pijn, het juiste pad te bewandelen en nirwana te verwezenlijken door middel van de vier grondslagen van opmerkzaamheid.
'Wat zijn deze vier grondslagen! 'Monniken, wie dit beoefent slaat zonder ophouden het lichaam in het lichaam gade, hij is nijver, heeft een heldere kijk, is opmerkzaam en verzaakt elk verlangen naar, elke afkeer voor dit leven.
'Hij slaat zonder ophouden de gevoelens in de gevoelens gade, hij is nijver, heeft een heldere kijk, is opmerkzaam en verzaakt elk verlangen naar, elke afkeer voor dit leven.
'Hij slaat zonder ophouden de geest in de geest gade, hij is nijver, heeft een heldere kijk, is opmerkzaam en verzaakt elk
verlangen naar, elke afkeer voor dit leven.
'Hij slaat zonder ophouden wat de geest oproept gade in wat de geest oproept, hij is nijver, heeft een heldere kijk, is opmerkzaam en verzaakt elk verlangen naar, elke afkeer voor dit leven.
'Hoe slaat de beoefenaar zonder ophouden het lichaam in het lichaam gade?
'Hij begeeft zich naar het woud, gaat met gekruiste benen en rechtop in de lotushouding zitten aan de voet van een boom of in een leeg vertrek en verzinkt in opmerkzaamheid. Hij ademt in en is zich ervan bewust dat hij inademt. Hij ademt uit en is zich ervan bewust dat hij uitademt. Hij ademt diep in en weet: Ik adem diep in. Hij ademt diep uit en weet:
Ik adem diep uit. Hij ademt niet diep in en weet: Ik adem niet diep in. Hij ademt niet diep uit en weet: Ik adem niet diep uit.
'Hij oefent als volgt. Als ik inadem, ben ik me bewust van mijn hele lichaam.
Als ik uitadem ben ik me bewust van mijn hele lichaam. En vervolgens: Als ik inadem, breng ik mijn lichaamsfuncties tot rust. Als ik uitadem, breng ik mijn lichaamsfuncties tot rust.
'Bovendien is hij zich er als hij loopt van bewust: Ik loop. Als hij staat is hij zich ervan bewust: Ik sta. Als hij zit is hij zich ervan bewust: Ik zit. Als hij ligt is hij zich ervan bewust: Ik lig. Welke lichaamshouding hij ook aanneemt, hij is zich ervan bewust.
'Als hij voor- of achteruit loopt, richt hij zijn volle bewustzijn daarop. Als hij voor of achter zich kijkt, vooroverbuigt of zich opricht, richt hij zijn volle bewustzijn daarop. Hij richt zijn volle bewustzijn op het dragen van het kleed en de bedelnap. Als hij eet, drinkt, kauwt of slikt, richt hij zijn volle bewustzijn daarop. Als hij zijn ontlasting doet of plast, richt hij zijn volle bewustzijn daarop. Als hij loopt, staat, ligt, zit, slaapt of waakt, spreekt of zwijgt, laat hij zijn bewustzijn daarover schijnen.'
'Monniken, hoe slaat de beoefenaar zonder ophouden de gevoelens in de gevoelens gade?
'Bij een prettig gevoel is hij zich ervan bewust: Ik heb een prettig gevoel. Bij een pijnlijk gevoel is hij zich ervan bewust: Ik heb een pijnlijk gevoel. Bij een gevoel dat prettig noch pijnlijk is, is hij zich ervan bewust: Ik heb een neutraal gevoel. Als hij een gevoel ervaart in zijn lichaam, is hij zich ervan bewust: Ik ervaar een gevoel in mijn lichaam. Als hij een gevoel ervaart in zijn geest is hij zich ervan bewust: Ik ervaar een gevoel in mijn geest.'
'Monniken, hoe slaat de beoefenaar zonder ophouden de geest in de geest gade?
'Als zijn geest een verlangen koestert, is hij zich ervan bewust: Mijn geest koestert een verlangen. Als zijn geest geen verlangen koestert, is hij zich ervan bewust: Mijn geest koestert geen verlangen. Als zijn geest haatgevoelens koestert, is hij zich ervan bewust: Mijn geest koestert haatgevoelens. Als zijn geest geen haatgevoelens koestert, is hij zich ervan bewust: Mijn geest koestert geen haatgevoelens. Als zijn geest in een staat van onwetendheid verkeert, is hij zich ervan bewust: Mijn geest verkeert in een staat van onwetendheid. Als zijn geest niet in een staat van onwetendheid verkeert, is hij zich ervan bewust: Mijn geest verkeert niet in een staat van onwetendheid. Als zijn geest gespannen is, is hij zich ervan bewust: Mijn geest is gespannen. Als zijn geest niet gespannen is, is hij zich ervan bewust: Mijn geest is niet gespannen. Als zijn geest afwezig is, is hij zich ervan bewust: Mijn geest is afwezig. Als zijn geest niet afwezig is, is hij zich ervan bewust: Mijn geest is niet afwezig. Als zijn geest ruim is, is hij zich ervan bewust: Mijn geest is ruim. Als zijn geest eng is, is hij zich ervan bewust: Mijn geest is eng. Als zijn geest kalm is, is hij zich ervan bewust: Mijn geest is kalm. Als zijn geest niet kalm is, is hij zich ervan bewust: Mijn geest is niet kalm.
Als zijn geest vrij IS, is hij zich ervan bewust: Mijn geest is vrij. Als zijn geest niet vrij is, is hij zich ervan bewust: Mijn geest is niet vrij.'
'Monniken, hoe slaat de beoefenaar zonder ophouden de vier edele waarheden gade?
'Als er lijden opwelt, is hij zich ervan bewust: Dit is lijden. Als de oorzaak van het lijden opwelt, is hij zich ervan bewust: Dit is de oorzaak van het lijden. Als er een eind komt aan het lijden, is hij zich ervan bewust: Dit is het eind van het lijden. Als het pad dat een eind maakt aan het lijden zich vertoont, is hij zich ervan bewust: Dit is het pad dat een eind maakt aan het lijden.
'Monniken, wie zeven jaar lang de vier grondslagen van opmerkzaamheid beoefent, mag erop rekenen dat dit twee vruchten afwerpt - het hoogste inzicht in dit leven of, als er nog iets van aanvechting rest, de vrucht van geen-terugkeer.
'Maar, monniken, je hoeft de vier grondslagen van opmerkzaamheid niet eens zeven jaar te beoefenen. Wie de vier grondslagen van opmerkzaamheid zes, vijf, vier, drie, twee, één jaar of slechts één maand beoefent mag er ook op rekenen dat dit twee vruchten afwerpt - het hoogste inzicht in dit leven of de vrucht van geen-terugkeer.
'Maar, monniken, je hoeft de vier grondslagen van opmerkzaamheid niet eens één maand te beoefenen. Wie de vier grondslagen van opmerkzaamheid slechts één week beoefent, mag er ook op rekenen dat dit twee vruchten afwerpt - het hoogste inzicht in dit leven of de vrucht van geen-terugkeer.'
Toen de monniken de leer van de Boeddha hoorden, waren ze opgetogen. Ze namen haar ter harte en brachten haar in praktijk.
(vrij naar de Satipatthana-sutra, in de vertaling van Thich Nhat Hanh en Annabel Laity)